hoofdzuster
zelfstandig naamwoordBetekenis
- hoofdverpleegkundige die de baas is van een verpleegafdeling
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| hoofdzusters | meervoud |
| hoofdzustertje | verkleinwoord, enkelvoud |
| hoofdzustertjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
samenstelling van hoofd en zuster
Woordfamilie van hoofdzuster
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| hoofdzusters | meervoud | hoofdzuster |
| hoofdzustertje | verkleinwoord | hoofdzuster |
| hoofdzustertjes | verkleinwoord meervoud | hoofdzuster |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van hoofdzuster zijn vastgelegd.