hoofdplaats
zelfstandig naamwoord /'ɦof(t).plɑts/Betekenis
- de belangrijkste plaats van een gebied, in het bijzonder de vestigingsplaats van het bestuur van een bepaald gebied (land, staat, deelstaat, kanton, provincie, district, gemeente en dergelijke)
- meer in het algemeen een belangrijke plaats
Hoe spreek je hoofdplaats uit?
/ˈhoftplɑts/
Hoofdplaats bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| h | hoed |
| o | boot |
| f | fiets |
| t | tak |
| p | pak |
| l | land |
| ɑ | bad |
| s | sok |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| hoofdplaatsen | meervoud |
| hoofdplaatsje | verkleinwoord, enkelvoud |
| hoofdplaatsjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
samenstelling van hoofd zn "belangrijker, hoogste" en plaats bn "dorp of stad"
Woordfamilie van hoofdplaats
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| hoofdplaatsen | meervoud | hoofdplaats |
| hoofdplaatsje | verkleinwoord | hoofdplaats |
| hoofdplaatsjes | verkleinwoord meervoud | hoofdplaats |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van hoofdplaats zijn vastgelegd.