hoofdkerk
zelfstandig naamwoordBetekenis
- voornaamste kerkgebouw in een regio
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| hoofdkerken | meervoud |
| hoofdkerkje | verkleinwoord, enkelvoud |
| hoofdkerkjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
samenstelling van hoofd en kerk
Woordfamilie van hoofdkerk
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| hoofdkerken | meervoud | hoofdkerk |
| hoofdkerkje | verkleinwoord | hoofdkerk |
| hoofdkerkjes | verkleinwoord meervoud | hoofdkerk |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van hoofdkerk zijn vastgelegd.