hometrainer
zelfstandig naamwoordBetekenis
- fitnesstoestel waarop men, thuis, met de benen een beweging maakt als bij fietsen en dat dient om de algemene conditie te verbeteren
- apparaat waarop de patiënt een lichamelijke inspanning levert zodat men een inspannings-ECG kan maken
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| hometrainers | meervoud |
| hometrainertje | verkleinwoord, enkelvoud |
| hometrainertjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
In de betekenis van ‘toestel om thuis op te oefenen’ voor het eerst aangetroffen in 1976
Woordfamilie van hometrainer
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| hometrainers | meervoud | hometrainer |
| hometrainertje | verkleinwoord | hometrainer |
| hometrainertjes | verkleinwoord meervoud | hometrainer |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van hometrainer zijn vastgelegd.