heupbeen
zelfstandig naamwoordBetekenis
- een van de beenderen van de bekkengordel dat bestaat uit het darmbeen, het schaambeen en het zitbeen, os coxae
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| heupbeenderen | meervoud |
| heupbenen | meervoud |
Herkomst
samenstelling van heup en been
Woordfamilie van heupbeen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| heupbeenderen | meervoud | heupbeen |
| heupbenen | meervoud | heupbeen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van heupbeen zijn vastgelegd.