hekel
zelfstandig naamwoord, werkwoord ˈhekəlBetekenis
- een sterke afkeer van iets
Hoe spreek je hekel uit?
/ˈhekəl/
Hekel bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| h | hoed |
| e | veel |
| k | kat |
| ə | de |
| l | land |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
zelfstandig naamwoord — masculine
- een werktuig gebruikt bij het verwerken van hennep of vlas
- sterke afkeer
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| hekels | meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van hekelen
- gebiedende wijs van hekelen
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van hekelen
Vervoeging van hekel
hekelhele werkwoord
Herkomst
[1] van Middelnederlands hekel, in de betekenis van ‘vlaskam’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1485
Woordfamilie van hekel
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| hekels | meervoud | hekel |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van hekel zijn vastgelegd.