heester
zelfstandig naamwoordBetekenis
- laaggroeiende, boomachtige struik
- (gewestelijk) een jonge boom (vooral eik of beuk) zonder uitgesproken stam
zelfstandig naamwoord — masculine
- een jonge boom (vooral eik of beuk) zonder uitgesproken stam
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| heesters | meervoud |
| heestertje | verkleinwoord, enkelvoud |
| heestertjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
In de betekenis van ‘struik’ voor het eerst aangetroffen in 1210
Woordfamilie van heester
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| heesters | meervoud | heester |
| heestertje | verkleinwoord | heester |
| heestertjes | verkleinwoord meervoud | heester |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van heester zijn vastgelegd.