hausse
zelfstandig naamwoordBetekenis
- het overspannen hoogtepunt in een conjunctuur, het hoogtepunt in een periode van economische groei
- sterke toename, forse stijging
- stijging, toename
- verhoging, stut
- vizier 1
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| hausses | meervoud |
Herkomst
Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘het rijzen van prijzen, opleving’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1847
Woordfamilie van hausse
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| hausses | meervoud | hausse |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van hausse zijn vastgelegd.