hattrick
zelfstandig naamwoordBetekenis
- drie doelpunten in één wedstrijd gemaakt door één speler
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| hattricks | meervoud |
Herkomst
Leenwoord uit het Engels, in de betekenis van ‘het maken van drie doelpunten achter elkaar’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1940
Woordfamilie van hattrick
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| hattricks | meervoud | hattrick |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van hattrick zijn vastgelegd.