hars
zelfstandig naamwoord /ɦɑrs/Betekenis
- het stroeve en plakkerige product van boomsappen, met name van naaldbomen
- een klasse van polymerisatieproducten van terpenen, met name α- en β-pineen, zoals aanwezig in 1
- een klasse van kunstmatige polymeren met vergelijkbare eigenschappen als 2
Hoe spreek je hars uit?
/hɑrs/
Hars bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| h | hoed |
| ɑ | bad |
| r | rood |
| s | sok |
zelfstandig naamwoord
- een klasse van polymerisatieproducten van terpenen, met name α- en β-pineen, zoals aanwezig in [1]
- een klasse van kunstmatige polymeren met vergelijkbare eigenschappen als [2]
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| harsen | meervoud |
Herkomst
Leenwoord uit het Duits, in de betekenis van ‘kleverige stof uit naaldbomen’ voor het eerst aangetroffen in 1285
Woordfamilie van hars
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| harsen | meervoud | hars |
| harse | woordvorm | harsen |
| harsende | woordvorm | harsen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van hars zijn vastgelegd.