halo
zelfstandig naamwoord ˈhaloBetekenis
- een stralenkrans die een heilige in afbeeldingen omgeeft
- een diffuse lichtgevende ring rond de zon of de maan veroorzaakt door lichtstrooiing aan ijskristallen in de dampkring
- de bolvormige invloedsfeer die een melkwegstelsel omgeeft
- het uitstralen van een marketingactiviteit op een ander merk/product dan dat waar de activiteit direct op gericht is
- stralenkrans
Hoe spreek je halo uit?
/ˈhalo/
Halo bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| h | hoed |
| a | maan |
| l | land |
| o | boot |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
zelfstandig naamwoord — masculine
- stralenkrans die (het hoofd van) een heilige in afbeeldingen omgeeft
- diffuse lichtgevende ring rond de zon of de maan veroorzaakt door lichtstrooiing aan ijskristallen in de dampkring
- uitstraling van een marketingactiviteit op een ander merk/product dan dat waar de activiteit direct op gericht is
- constructie van stangen op racevoertuigen die het hoofd van de coureur bij een botsing moeten beschermen
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| halo's | meervoud |
| halootje | verkleinwoord, enkelvoud |
| halootjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
via Frans halo of middeleeuws Latijn halo van klassiek Latijn halos dat teruggaat op Oudgrieks ἅλως (háloos) "rand om schild"; in de betekenis van ‘lichtende kring om zon of maan’ voor het eerst aangetroffen in 1894
Woordfamilie van halo
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| halo's | meervoud | halo |
| halootje | verkleinwoord | halo |
| halootjes | verkleinwoord meervoud | halo |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van halo zijn vastgelegd.