gummi
zelfstandig naamwoord, bijvoeglijk naamwoord ˈɣʏmiBetekenis
- rubber
- rubberen, van rubber
Hoe spreek je gummi uit?
/ˈxʏmi/
Gummi bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| x | acht |
| ʏ | put |
| m | maan |
| i | riet |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Herkomst
Leenwoord uit het Latijn, in de betekenis van ‘kleverige boomvloeistof’ voor het eerst aangetroffen in 1542