groenteboer
zelfstandig naamwoordBetekenis
- iemand die een detailhandel in groente en fruit bedrijft
- winkel waar groente en fruit verkocht wordt
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| groenteboeren | meervoud |
| groenteboertje | verkleinwoord, enkelvoud |
| groenteboertjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
In de betekenis van ‘verkoper van groenten’ voor het eerst aangetroffen in 1858
Woordfamilie van groenteboer
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| groenteboeren | meervoud | groenteboer |
| groenteboertje | verkleinwoord | groenteboer |
| groenteboertjes | verkleinwoord meervoud | groenteboer |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van groenteboer zijn vastgelegd.