granaatappelboom
zelfstandig naamwoordBetekenis
- een tot zes meter hoge struik uit de kattenstaartfamilie (Lythraceae) dan wel de familie Punicaceae (orde is in revisie) met lange, doornige takken
zelfstandig naamwoord — masculine
- Punica granatum, een tot zes meter hoge struik uit de kattenstaartfamilie (Lythraceae) dan wel de familie Punicaceae (orde is in revisie) met lange, doornige takken
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| granaatappelbomen | meervoud |
| granaatappelboompje | verkleinwoord, enkelvoud |
| granaatappelboompjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
samenstelling van granaatappel en boom
Woordfamilie van granaatappelboom
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| granaatappelbomen | meervoud | granaatappelboom |
| granaatappelboompje | verkleinwoord | granaatappelboom |
| granaatappelboompjes | verkleinwoord meervoud | granaatappelboom |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van granaatappelboom zijn vastgelegd.