grammofoon
zelfstandig naamwoordBetekenis
- toestel waarmee geluiden die op schijven zijn vastgelegd, weergegeven kunnen worden
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| grammofonen | meervoud |
| grammofoons | meervoud |
| grammofoontje | verkleinwoord, enkelvoud |
| grammofoontjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
Leenwoord uit het Duits, in de betekenis van ‘platenspeler’ voor het eerst aangetroffen in 1912
Woordfamilie van grammofoon
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| grammofonen | meervoud | grammofoon |
| grammofoons | meervoud | grammofoon |
| grammofoontje | verkleinwoord | grammofoon |
| grammofoontjes | verkleinwoord meervoud | grammofoon |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van grammofoon zijn vastgelegd.