graat
zelfstandig naamwoordBetekenis
- botje van een vis
- kleine lange scherpe botjes van een ander dier dan een vis
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| graatje | verkleinwoord, enkelvoud |
| graatjes | verkleinwoord, meervoud |
| graten | meervoud |
Herkomst
In de betekenis van ‘been van vis’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1116
Woordfamilie van graat
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| graatje | verkleinwoord | graat |
| graatjes | verkleinwoord meervoud | graat |
| graten | meervoud | graat |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van graat zijn vastgelegd.