goegemeente
zelfstandig naamwoordBetekenis
- het eenvoudige, gewone niet al te kritische of diepzinnig denkende publiek
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| goegemeentetje | verkleinwoord, enkelvoud |
| goegemeentetjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
In de betekenis van ‘gewone, niet-kritische publiek’ voor het eerst aangetroffen in 1628
Woordfamilie van goegemeente
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| goegemeentetje | verkleinwoord | goegemeente |
| goegemeentetjes | verkleinwoord meervoud | goegemeente |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van goegemeente zijn vastgelegd.