glastuinbouwer
zelfstandig naamwoordBetekenis
- iemand die een gewas verbouwt in een grote kas
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| glastuinbouwers | meervoud |
| glastuinbouwertje | verkleinwoord, enkelvoud |
| glastuinbouwertjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
Samenstelling van glastuinbouw met het achtervoegsel -er
Woordfamilie van glastuinbouwer
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| glastuinbouwers | meervoud | glastuinbouwer |
| glastuinbouwertje | verkleinwoord | glastuinbouwer |
| glastuinbouwertjes | verkleinwoord meervoud | glastuinbouwer |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van glastuinbouwer zijn vastgelegd.