glasaal
zelfstandig naamwoord ˈɣlɑsalBetekenis
- Vroeg levensstadium van de aal waarin deze de vorm van een aal aanneemt. Ze zijn doorzichtig en hebben nog geen tanden.
Hoe spreek je glasaal uit?
/ˈxlɑsal/
Glasaal bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| x | acht |
| l | land |
| ɑ | bad |
| s | sok |
| a | maan |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
zelfstandig naamwoord — masculine
- vroeg levensstadium van de aal waarin deze wel de vorm van een aal aanneemt maar nog doorzichtig is en geen tanden heeft
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| glasaaltje | verkleinwoord, enkelvoud |
| glasaaltjes | verkleinwoord, meervoud |
| glasalen | meervoud |
Herkomst
samenstelling van glas zn en aal zn
Woordfamilie van glasaal
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| glasaaltje | verkleinwoord | glasaal |
| glasaaltjes | verkleinwoord meervoud | glasaal |
| glasalen | meervoud | glasaal |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van glasaal zijn vastgelegd.