gezamenlijk
bijvoeglijk naamwoordBetekenis
- alle, samen
- van allen, door allen
Verbuiging en vervoeging (bijvoeglijk naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| gezamenlijke | verbogen, stellende trap |
| gezamenlijker | onverbogen, vergrotende trap |
| gezamenlijkere | verbogen, vergrotende trap |
| gezamenlijkers | partitief, vergrotende trap |
| gezamenlijks | partitief, stellende trap |
| gezamenlijkst | onverbogen, overtreffende trap |
| gezamenlijkste | verbogen, overtreffende trap |
Herkomst
In de betekenis van ‘samen’ voor het eerst aangetroffen in 1286
Woordfamilie van gezamenlijk
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gezamenlijke | verbogen vorm | gezamenlijk |
| gezamenlijker | vergrotende trap | gezamenlijk |
| gezamenlijkere | verbogen vergrotende trap | gezamenlijk |
| gezamenlijkers | partitieve vergrotende trap | gezamenlijk |
| gezamenlijks | partitive, positive | gezamenlijk |
| gezamenlijkst | uninflected, superlative | gezamenlijk |
| gezamenlijkste | inflected, superlative | gezamenlijk |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van gezamenlijk zijn vastgelegd.