geus
zelfstandig naamwoord, bijvoeglijk naamwoord ɣøsBetekenis
- gegoten ijzer in de vorm van een langwerpig blok met schuine zijden, gieteling
- behorend tot de Nederlandse opstandelingen tegen koning Philips II in de 16e eeuw
- protestant
Hoe spreek je geus uit?
/xøs/
Geus bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| x | acht |
| ø | deur |
| s | sok |
zelfstandig naamwoord — masculine
- elk van de edelen van het Verbond in 1566 en later de vijanden van de regering van koning Philips II in de Nederlanden person
- iemand die zich daadwerkelijk verzet tegen gezag dat zich misdraagt figuratively, person
- kleine vlag met stervormige rood-wit-blauwe banen op de voorplecht van schepen, gehesen op zon- en feestdagen
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| geusje | verkleinwoord |
| geusjes | verkleinwoord, enkelvoud |
| geuzen | enkelvoud |
Verbuiging en vervoeging (bijvoeglijk naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| [A] geus | canonical |
zelfstandig naamwoord — masculine
- gegoten ijzer in de vorm van een langwerpig blok met schuine zijden
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| geusje | verkleinwoord |
| geusjes | verkleinwoord, enkelvoud |
| geuzen | enkelvoud |
Woordfamilie van geus
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| geusje | verkleinwoord | geus |
| geusjes | verkleinwoord | geus |
| geuzen | enkelvoud | geus |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van geus zijn vastgelegd.