getto
zelfstandig naamwoordBetekenis
- stadswijk die tot verplichte verblijfplaats voor Joden diende, vooral in Portugal, Spanje, Duitsland, Italië en Polen
- benaming voor een stadswijk die voor het overgrote deel wordt bewoond door mensen die behoren tot een enkele etnische, religieuze of raciale groep die sociaal slecht geïntegreerd is
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| getti | meervoud |
| getto's | meervoud |
| gettootje | verkleinwoord, enkelvoud |
| gettootjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
Leenwoord uit het Duits of Italiaans, in de betekenis van ‘jodenwijk’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1847
Woordfamilie van getto
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| getti | meervoud | getto |
| getto's | meervoud | getto |
| gettootje | verkleinwoord | getto |
| gettootjes | verkleinwoord meervoud | getto |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van getto zijn vastgelegd.