Germaan
zelfstandig naamwoordBetekenis
- elk van de leden van de volksstammen die rond het begin van onze jaartelling tussen Noordzee, Schelde, Maas, Rijn, Donau en Weichsel woonden
- elk van de nakomelingen uit de stammen die een Germaanse taal spreken (de belangrijkste Germaanse talen zijn het Nederlands, Duits, Engels, Fries, Noors, Deens, Zweeds en IJslands)
- Duitser
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| Germaantje | verkleinwoord, enkelvoud |
| Germaantjes | verkleinwoord, meervoud |
| Germanen | meervoud |
Herkomst
van Latijn Germanus
Woordfamilie van Germaan
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| Germaantje | verkleinwoord | Germaan |
| Germaantjes | verkleinwoord meervoud | Germaan |
| Germanen | meervoud | Germaan |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van Germaan zijn vastgelegd.