geraamte
zelfstandig naamwoordBetekenis
- dat wat een lichaam stevigheid geeft. Bij zoogdieren, reptielen, vogels en andere gewervelden is het skelet het samenstel van botten (bij vissen spreekt men van graten) (endoskelet), bij geleedpotigen de harde omhulling van chitine (exoskelet).
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| geraamten | meervoud |
| geraamtes | meervoud |
| geraamtetje | verkleinwoord, enkelvoud |
| geraamtetjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
In de betekenis van ‘raamwerk’ voor het eerst aangetroffen in 1340
Woordfamilie van geraamte
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| geraamten | meervoud | geraamte |
| geraamtes | meervoud | geraamte |
| geraamtetje | verkleinwoord | geraamte |
| geraamtetjes | verkleinwoord meervoud | geraamte |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van geraamte zijn vastgelegd.