generen
werkwoordBetekenis
- zich ~ schaamte voelen
Vervoeging van generen
generenhele werkwoord — gegeneerdvoltooid deelwoord
Alle 36 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| gegeneerd | verleden tijd, deelwoord |
| geneer me | eerste persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud |
| geneer u/je , geneert je | gebiedende wijs |
| geneerde | verleden tijd |
| geneerde je | tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| geneerde me | eerste persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| geneerde u | tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| geneerde u | tweede persoon, verleden tijd, meervoud |
| geneerde zich | derde persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| geneerde zich/u | tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| geneerde zich/u | tweede persoon, verleden tijd, meervoud |
| geneerden je | tweede persoon, verleden tijd, meervoud |
| geneerden ons | eerste persoon, verleden tijd, meervoud |
| geneerden zich | derde persoon, verleden tijd, meervoud |
| geneert je | tweede persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud |
| geneert u | tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| geneert u | tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| geneert zich | derde persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud |
| geneert zich/u | tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| geneert zich/u | tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| genere zich | aanvoegende wijs |
| generen je | tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| generen ons | eerste persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| generen zich | derde persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| zal me generen | eerste persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zal zich generen | derde persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zal, zult je generen | tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zich gegeneerd hebben | verleden tijd |
| zich generend | onvoltooid, deelwoord |
| zullen je generen | tweede persoon, toekomende tijd, meervoud |
| zullen ons generen | eerste persoon, toekomende tijd, meervoud |
| zullen zich generen | derde persoon, toekomende tijd, meervoud |
| zult u generen | tweede persoon |
| zult u generen | tweede persoon, toekomende tijd, meervoud |
| zult zich/u generen | tweede persoon |
| zult zich/u generen | tweede persoon, toekomende tijd, meervoud |
Herkomst
Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘hinderen, schamen’ voor het eerst aangetroffen in 1824
Woordfamilie van generen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| geneer | woordvorm | generen |
| geneerde | verleden tijd | generen |
| geneerden | woordvorm | generen |
| geneert | woordvorm | generen |
| genere | woordvorm | generen |
| generend | woordvorm | generen |
| generende | woordvorm | generen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van generen zijn vastgelegd.