gemenerik
zelfstandig naamwoordBetekenis
- een gemeen persoon (soms ironisch)
zelfstandig naamwoord — masculine
- arglistig,doortrapt bn, gemeen persoon pejorative
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| gemeneriken | meervoud |
| gemenerikje | verkleinwoord, enkelvoud |
| gemenerikjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
Afgeleid van gemeen met het achtervoegsel -erik
Woordfamilie van gemenerik
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gemeneriken | meervoud | gemenerik |
| gemenerikje | verkleinwoord | gemenerik |
| gemenerikjes | verkleinwoord meervoud | gemenerik |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van gemenerik zijn vastgelegd.