geelbek
zelfstandig naamwoordBetekenis
- jonge vogel die nog niet geslachtsrijp is
- Kaapse mus
- vis uit de familie van ombervissen
zelfstandig naamwoord — masculine
- dier met een gele bek
- Passer melanurus Kaapse mus
- Atractoscion aequidens vis uit de familie van ombervissen
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| geelbekje | verkleinwoord, enkelvoud |
| geelbekjes | verkleinwoord, meervoud |
| geelbekken | meervoud |
Herkomst
samenstelling van geel zn en bek zn
Woordfamilie van geelbek
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| geelbekje | verkleinwoord | geelbek |
| geelbekjes | verkleinwoord meervoud | geelbek |
| geelbekken | meervoud | geelbek |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van geelbek zijn vastgelegd.