geboomte
zelfstandig naamwoordBetekenis
- de gezamenlijke bomen
zelfstandig naamwoord — neuter
- geheel van bomen die bij elkaar staan
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| geboomten | meervoud |
| geboomtes | meervoud |
Herkomst
In de betekenis van ‘groep bomen’ voor het eerst aangetroffen in 1285
Woordfamilie van geboomte
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| geboomten | meervoud | geboomte |
| geboomtes | meervoud | geboomte |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van geboomte zijn vastgelegd.