franchise
zelfstandig naamwoord, werkwoordBetekenis
- een methode van zakendoen waarbij een ondernemer (de franchisenemer) een contract sluit met de eigenaar van een handelsnaam (de franchisegever) die de franchisenemer het recht geeft om tegen betaling een zaak met die handelsnaam te exploiteren
- dat deel van het salaris waarover geen pensioen wordt opgebouwd en daarom ook geen pensioenpremie wordt betaald
- een percentage van de verzekerde som of een vast bedrag waaronder schade niet voor rekening van de verzekeraar komt. In tegenstelling tot bij een eigen risico vergoedt de verzekeraar de gehele schade wanneer het schadebedrag de hoogte van de franchise overschrijdt
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| franchises | meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van franchisen
- gebiedende wijs van franchisen
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van franchisen
- aanvoegende wijs van franchisen
Vervoeging van franchise
franchisehele werkwoord
Herkomst
Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘vrijstelling van invoerrechten’ voor het eerst aangetroffen in 1886
Woordfamilie van franchise
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| franchises | meervoud | franchise |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van franchise zijn vastgelegd.