fractuur
zelfstandig naamwoordBetekenis
- een botbreuk
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| fracturen | meervoud |
| fractuurtje | verkleinwoord, enkelvoud |
| fractuurtjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘breuk’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1560
Woordfamilie van fractuur
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| fracturen | meervoud | fractuur |
| fractuurtje | verkleinwoord | fractuur |
| fractuurtjes | verkleinwoord meervoud | fractuur |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van fractuur zijn vastgelegd.