formaat
zelfstandig naamwoordBetekenis
- grootte
- vorm van een bestand
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| formaatje | verkleinwoord, enkelvoud |
| formaatjes | verkleinwoord, meervoud |
| formaten | meervoud |
Herkomst
Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘grootte’ voor het eerst aangetroffen in 1573
Woordfamilie van formaat
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| formaatje | verkleinwoord | formaat |
| formaatjes | verkleinwoord meervoud | formaat |
| formaten | meervoud | formaat |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van formaat zijn vastgelegd.