fonds
zelfstandig naamwoordBetekenis
- een voor een bepaald doel vastgelegd kapitaal, ('potje')
- vereniging die dat kapitaal vergaart en beheert
- effect (waardepapier) van een bepaalde uitgevende instelling b.v. een aandelenfonds, beleggingsfonds, indexfonds, obligatiefonds
- uitgeversfonds (alle werken waarvan een uitgever het recht van uitgave bezit)
- ziekenfonds
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| fondsen | meervoud |
| fondsje | verkleinwoord, enkelvoud |
| fondsjes | verkleinwoord, meervoud |
Woordvorm
- meervoud van het zelfstandig naamwoord fond
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| fondsen | meervoud |
| fondsje | verkleinwoord, enkelvoud |
| fondsjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘vastgelegd kapitaal’ aangetroffen vanaf 1651
Woordfamilie van fonds
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| fondsen | meervoud | fonds |
| fondsje | verkleinwoord | fonds |
| fondsjes | verkleinwoord meervoud | fonds |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van fonds zijn vastgelegd.