fietsweek
zelfstandig naamwoordBetekenis
- een week waarin zaken rond het fietsen worden georganiseerd
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| fietsweekje | verkleinwoord, enkelvoud |
| fietsweekjes | verkleinwoord, meervoud |
| fietsweken | meervoud |
Herkomst
samenstelling van fiets zn en week zn
Woordfamilie van fietsweek
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| fietsweekje | verkleinwoord | fietsweek |
| fietsweekjes | verkleinwoord meervoud | fietsweek |
| fietsweken | meervoud | fietsweek |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van fietsweek zijn vastgelegd.