fietsvakantie
zelfstandig naamwoordBetekenis
- vorm van vakantie waarbij men per fiets reist
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| fietsvakanties | meervoud |
| fietsvakantietje | verkleinwoord, enkelvoud |
| fietsvakantietjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
samenstelling van fiets en vakantie
Woordfamilie van fietsvakantie
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| fietsvakanties | meervoud | fietsvakantie |
| fietsvakantietje | verkleinwoord | fietsvakantie |
| fietsvakantietjes | verkleinwoord meervoud | fietsvakantie |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van fietsvakantie zijn vastgelegd.