fietspunt
zelfstandig naamwoordBetekenis
- (België) een voorziening in stations ter bevordering van het fietsverkeer
zelfstandig naamwoord — neuter
- een voorziening in stations ter bevordering van het fietsverkeer
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| fietspunten | meervoud |
| fietspuntje | verkleinwoord, enkelvoud |
| fietspuntjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
samenstelling van fiets ww en punt
Woordfamilie van fietspunt
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| fietspunten | meervoud | fietspunt |
| fietspuntje | verkleinwoord | fietspunt |
| fietspuntjes | verkleinwoord meervoud | fietspunt |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van fietspunt zijn vastgelegd.