fietshelm
zelfstandig naamwoordBetekenis
- helm die wordt gedragen door fietsers tijdens het fietsen
zelfstandig naamwoord — masculine
- helm die het hoofd van een fietser zou moeten beschermen bij een ongeluk
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| fietshelmen | meervoud |
| fietshelmpje | verkleinwoord, enkelvoud |
| fietshelmpjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
samenstelling van fiets zn en helm zn
Woordfamilie van fietshelm
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| fietshelmen | meervoud | fietshelm |
| fietshelmpje | verkleinwoord | fietshelm |
| fietshelmpjes | verkleinwoord meervoud | fietshelm |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van fietshelm zijn vastgelegd.