fietsbroek
zelfstandig naamwoordBetekenis
- strakke korte broek speciaal gemaakt om mee te fietsen vaak met een zeemleren versterking in het kruis.
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| fietsbroeken | meervoud |
| fietsbroekje | verkleinwoord, enkelvoud |
| fietsbroekjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
samenstelling van fiets ww en broek
Woordfamilie van fietsbroek
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| fietsbroeken | meervoud | fietsbroek |
| fietsbroekje | verkleinwoord | fietsbroek |
| fietsbroekjes | verkleinwoord meervoud | fietsbroek |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van fietsbroek zijn vastgelegd.