fiancé
zelfstandig naamwoord ˌfijɑ̃ˈseBetekenis
- (traditioneel) iemand met wie je officieel hebt afgesproken te gaan trouwen
- (hedendaags) iemand met wie je nauwer dan vriendschappelijk omgaat en de verwachting deelt een stel te blijven
- verloofde
Hoe spreek je fiancé uit?
/ˌfijɑˈse/
Fiancé bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de derde.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| f | fiets |
| i | riet |
| j | ja |
| ɑ | bad |
| s | sok |
| e | veel |
| ˌ | een lichtere nadruk, zwakker dan de hoofdklemtoon |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
zelfstandig naamwoord — masculine
- iemand met wie je officieel hebt afgesproken te gaan trouwen
- iemand met wie je nauwer dan vriendschappelijk omgaat en de verwachting deelt een stel te blijven
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| fianceetje | verkleinwoord, enkelvoud |
| fianceetjes | verkleinwoord, meervoud |
| fiancés | meervoud |
Herkomst
van Frans fiancé
Woordfamilie van fiancé
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| fiancés | meervoud | fiancé |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van fiancé zijn vastgelegd.