façade
zelfstandig naamwoord /fa.ˈsad/Betekenis
- de zichtbare buitenmuur van een gebouw, specifiek die aan de voorkant
- het gezicht
- valse schijn
Hoe spreek je façade uit?
/faˈsad/
Façade bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de tweede.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| f | fiets |
| a | maan |
| s | sok |
| d | dak |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
zelfstandig naamwoord
- spottende/minachtende benaming voor iemands gezicht informal
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| façaden, façades | meervoud |
| façadetje | verkleinwoord, enkelvoud |
| façadetjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘voorgevel’ voor het eerst aangetroffen in 1695
Woordfamilie van façade
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| façaden | meervoud | façade |
| façades | meervoud | façade |
| façadetje | verkleinwoord | façade |
| façadetjes | verkleinwoord meervoud | façade |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van façade zijn vastgelegd.