faun
zelfstandig naamwoordBetekenis
- bosgod en veldgod van de Romeinen
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| faunen | meervoud |
| fauntje | verkleinwoord, enkelvoud |
| fauntjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
Leenwoord uit het Latijn, in de betekenis van ‘bos- en veldgod’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1579
Woordfamilie van faun
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| faunen | meervoud | faun |
| fauntje | verkleinwoord | faun |
| fauntjes | verkleinwoord meervoud | faun |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van faun zijn vastgelegd.