erbarmen
werkwoord, zelfstandig naamwoordBetekenis
- medelijden hebben met iemand
- zich ontfermen over iemand
- medeleven met de pijn of het ongeluk van een ander
Vervoeging van erbarmen
erbarmenhele werkwoord — erbarmdvoltooid deelwoord
Alle 36 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| erbarm me | eerste persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud |
| erbarm u/je , erbarmt je | gebiedende wijs |
| erbarmd | verleden tijd, deelwoord |
| erbarmde | verleden tijd |
| erbarmde je | tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| erbarmde me | eerste persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| erbarmde u | tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| erbarmde u | tweede persoon, verleden tijd, meervoud |
| erbarmde zich | derde persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| erbarmde zich/u | tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| erbarmde zich/u | tweede persoon, verleden tijd, meervoud |
| erbarmden je | tweede persoon, verleden tijd, meervoud |
| erbarmden ons | eerste persoon, verleden tijd, meervoud |
| erbarmden zich | derde persoon, verleden tijd, meervoud |
| erbarme zich | aanvoegende wijs |
| erbarmen je | tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| erbarmen ons | eerste persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| erbarmen zich | derde persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| erbarmt je | tweede persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud |
| erbarmt u | tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| erbarmt u | tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| erbarmt zich | derde persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud |
| erbarmt zich/u | tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| erbarmt zich/u | tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| zal me erbarmen | eerste persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zal zich erbarmen | derde persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zal, zult je erbarmen | tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zich erbarmd hebben | verleden tijd |
| zich erbarmend | onvoltooid, deelwoord |
| zullen je erbarmen | tweede persoon, toekomende tijd, meervoud |
| zullen ons erbarmen | eerste persoon, toekomende tijd, meervoud |
| zullen zich erbarmen | derde persoon, toekomende tijd, meervoud |
| zult u erbarmen | tweede persoon |
| zult u erbarmen | tweede persoon, toekomende tijd, meervoud |
| zult zich/u erbarmen | tweede persoon |
| zult zich/u erbarmen | tweede persoon, toekomende tijd, meervoud |
Herkomst
Leenwoord uit het Duits, in de betekenis van ‘(zich...) medelijden betonen’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1477
Woordfamilie van erbarmen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| erbarm | woordvorm | erbarmen |
| erbarmd | voltooid deelwoord | erbarmen |
| erbarmde | verleden tijd | erbarmen |
| erbarmden | woordvorm | erbarmen |
| erbarme | woordvorm | erbarmen |
| erbarmend | woordvorm | erbarmen |
| erbarmende | woordvorm | erbarmen |
| erbarmt | woordvorm | erbarmen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van erbarmen zijn vastgelegd.