energie
zelfstandig naamwoord /enɛr'ɣi/Betekenis
- het (fysiek) vermogen waarmee arbeid kan worden verricht
- het (geestelijk) vermogen waarmee denkwerk kan worden verricht
- een natuurkundig begrip van arbeidsvermogen
Hoe spreek je energie uit?
/enɛrˈxi/
Energie bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de derde.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| e | veel |
| n | nek |
| ɛ | bed |
| r | rood |
| x | acht |
| i | riet |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
zelfstandig naamwoord
- het (geestelijk) vermogen waarmee (denk)werk kan worden verricht
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| energieën | meervoud |
Herkomst
Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘veerkracht, arbeidsvermogen’ voor het eerst aangetroffen in 1668
Woordfamilie van energie
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| energieën | meervoud | energie |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van energie zijn vastgelegd.
Afleidingen en samenstellingen
- energetisch
- energiebedrijf
- energiebelasting
- energiebeleid
- energiebesparing
- energiebron
- energiecentrale
- energiecrisis
- energiedrank
- energiefactuur
- energiegebruik
- energieheffing
- energiehuishouding
- energielabel
- energieleverancier
- energieloos
- energiemaatschappij
- energiemarkt
- energieopname
- energieopslag
- energieopwekking
- energiepakket
- energiepolitiek
- energieprobleem