encycliek
zelfstandig naamwoordBetekenis
- een brief van de paus aan alle katholieke gelovigen
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| encyclieken | meervoud |
| encycliekje | verkleinwoord, enkelvoud |
| encycliekjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
Leenwoord uit het Latijn, in de betekenis van ‘pauselijke zendbrief’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1865
Woordfamilie van encycliek
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| encyclieken | meervoud | encycliek |
| encycliekje | verkleinwoord | encycliek |
| encycliekjes | verkleinwoord meervoud | encycliek |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van encycliek zijn vastgelegd.