els
zelfstandig naamwoord ɛlsBetekenis
- een geslacht bomen uit de berkenfamilie (Betulaceae)
- priemvorming werktuig bedoel om gaten mee te prikken
- de
- hen, ze (lijdend voorwerp|lijdend en meewerkend voorwerp, vóór het werkwoord)
- u (lijdend voorwerp|lijdend en meewerkend voorwerp, vóór het werkwoord)
- hen, ze (meewerkend voorwerp, vóór het werkwoord)
- u (meewerkend voorwerp, vóór het werkwoord)
Hoe spreek je els uit?
/ɛls/
Els bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| ɛ | bed |
| l | land |
| s | sok |
zelfstandig naamwoord — masculine
- benaming voor loofbomen uit het geslacht Alnus in de berkenfamilie (Betulaceae)
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| elsje | verkleinwoord |
| elsjes | verkleinwoord, enkelvoud |
| elzen | enkelvoud |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| elsje | verkleinwoord |
| elsjes | verkleinwoord, enkelvoud |
| elzen | enkelvoud |
Herkomst
A: erfwoord: aangetroffen vanaf 772; Middelnederlands else, uit Oudnederlands elisa, ontwikkeld uit Oergermaans *alísō, bij Indo-Europees *h₁el(i)s-, waartoe ook Litouws al̃ksnis, Sloveens jélša en Latijn alnus behoren. Evenals Nederduits Els; daarnaast met grammatische wisseling Nederduits Eller en Duits Erle.
Woordfamilie van els
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| elsje | verkleinwoord | els |
| elsjes | verkleinwoord | els |
| elzen | enkelvoud | els |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van els zijn vastgelegd.