eindstuk
zelfstandig naamwoord ˈɛintstʏkBetekenis
- laatste deel
- uiterste deel van een groter geheel, onderdeel dat aan een uiteinde wordt bevestigd
- document gemaakt als afsluiting van werkzaamheden (vaak in meervoudsvorm)
- toneelstuk of musical dat als feestelijke afsluiting van (een deel van) een opleiding wordt opgevoerd
Hoe spreek je eindstuk uit?
/ˈɛintstʏk/
Eindstuk bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| ɛi | trein |
| n | nek |
| t | tak |
| s | sok |
| ʏ | put |
| k | kat |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
zelfstandig naamwoord — neuter
- document gemaakt als afsluiting van werkzaamheden
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| eindstukje | verkleinwoord, enkelvoud |
| eindstukjes | verkleinwoord, meervoud |
| eindstukken | meervoud |
Herkomst
samenstelling van eind zn en stuk zn
Woordfamilie van eindstuk
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| eindstukje | verkleinwoord | eindstuk |
| eindstukjes | verkleinwoord meervoud | eindstuk |
| eindstukken | meervoud | eindstuk |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van eindstuk zijn vastgelegd.