eerstejaars
bijvoeglijk naamwoord, zelfstandig naamwoord ˌerstəˈjarsBetekenis
- het eerste jaar betreffend
- in het eerste van een reeks jaren verkerend
- studenten die dat leerjaar met de studie begonnen zijn
- studenten die dat leerjaar lid zijn geworden van de studentenvereniging
Hoe spreek je eerstejaars uit?
/ˌerstəˈjars/
Eerstejaars bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de derde.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| e | veel |
| r | rood |
| s | sok |
| t | tak |
| ə | de |
| j | ja |
| a | maan |
| ˌ | een lichtere nadruk, zwakker dan de hoofdklemtoon |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Verbuiging en vervoeging (bijvoeglijk naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| * | verbogen, stellende trap |
Herkomst
[bijvoeglijk naamwoord] samenstellende afleiding van eerste en jaar met het achtervoegsel -s
Woordfamilie van eerstejaars
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| eerstejaarsje | woordvorm | eerstejaars |
| eerstejaarsjes | meervoud | eerstejaars |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van eerstejaars zijn vastgelegd.