echtbreker
zelfstandig naamwoord ˈɛx(t)brekərBetekenis
- iemand die een seksuele relatie aangaat met iemand anders dan de huwelijkspartner; overspel pleger
Hoe spreek je echtbreker uit?
/ˈɛxtbrekər/
Echtbreker bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| ɛ | bed |
| x | acht |
| t | tak |
| b | bak |
| r | rood |
| e | veel |
| k | kat |
| ə | de |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| echtbrekers | meervoud |
Herkomst
Leenwoord uit het Duits, in de betekenis van ‘die de huwelijkstrouw schendt’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1592
Woordfamilie van echtbreker
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| echtbrekers | meervoud | echtbreker |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van echtbreker zijn vastgelegd.