dunk
zelfstandig naamwoord, werkwoordBetekenis
- mening, opinie (tot de waardering van een persoon of zaak)
- (basketbal:) worp waarbij de bal van boven naar beneden in de basket wordt geduwd
zelfstandig naamwoord — masculine
- worp waarbij de bal van boven naar beneden in de basket wordt geduwd
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| dunks | meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van dunken
- gebiedende wijs van dunken
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van dunken
Vervoeging van dunk
dunkhele werkwoord
Herkomst
Leenwoord uit het Engels, in de betekenis van ‘basketbal: sprong waarbij de bal van bovenaf in het net wordt geworpen’ voor het eerst aangetroffen in 1984
Woordfamilie van dunk
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| dunks | meervoud | dunk |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van dunk zijn vastgelegd.