drukker
zelfstandig naamwoord, bijvoeglijk naamwoord ˈdrʏkərBetekenis
- een persoon die afdrukken maakt
- een mechanisme om een jas te sluiten, drukknoop
- iemand die zich aan zijn plicht probeert te onttrekken
Hoe spreek je drukker uit?
/ˈdrʏkər/
Drukker bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| d | dak |
| r | rood |
| ʏ | put |
| k | kat |
| ə | de |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| drukkers | meervoud |
| drukkertje | verkleinwoord, enkelvoud |
| drukkertjes | verkleinwoord, meervoud |
Woordvorm
- onverbogen vorm van de vergrotende trap van druk
Herkomst
In de betekenis van ‘iem. die boeken drukt’ voor het eerst aangetroffen in 1626
Woordfamilie van drukker
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| drukkertje | verkleinwoord | drukker |
| drukkertjes | verkleinwoord meervoud | drukker |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van drukker zijn vastgelegd.