dito
zelfstandig naamwoord, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord ˈditoBetekenis
- een bevestiging in alle bijzonderheden
- eender, hetzelfde
- eveneens
- vinger, teen
- als gezegd, net zo
- hetzelfde, dezelfde (verkorting gebruikt in een opsomming om herhaling te voorkomen)
- woord, gesprokene
- voltooid deelwoord van dir
Hoe spreek je dito uit?
/ˈdito/
Dito bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| d | dak |
| i | riet |
| t | tak |
| o | boot |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| dito's | meervoud |
Herkomst
Leenwoord uit het Venetiaans, in de betekenis van ‘evenzo’ voor het eerst aangetroffen in 1562
Woordfamilie van dito
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| dito's | meervoud | dito |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van dito zijn vastgelegd.